Ik sportte altijd veel. Ik hield van hardlopen, zat vaak op de fiets. Bewegen zat gewoon in mijn systeem. Tot een hersenbloeding dat systeem overhoop gooide.
Het leidde tot twee onzichtbare maar ingrijpende gevolgen: ik kampte ineens met hemianopsie, ofwel een beperkt gezichtsveld en had ook last van prosopagnosie, het werd onmogelijk om gezichten te herkennen.
Sporten leek ineens een wereld die niet meer voor mij was weggelegd. Ik zou te veel bewegingen niet zien aankomen. Ik zou te veel gezichten niet kunnen plaatsen.
Mijn vrouw dacht daar anders over. Niet één keer, maar meer dan eens vroeg ze of ik mee wilde naar het 50+ badmintonnen. En uiteindelijk ging ik ook. Niet omdat ik dacht dat het zou lukken, maar omdat ze het vroeg.
De eerste keren miste ik meer dan de helft van de shuttles. Ze vlogen langs me heen, soms letterlijk buiten mijn blikveld. Maar in de kleedkamer werd er gelachen. En op het veld werd gespeeld. Ik miste veel, maar ik was er.
Na een jaar mis ik nog altijd shuttles. Maar het zijn er al wel minder. Ruwweg een kwart nu, in plaats van meer dan de helft. Geen spectaculair herstel of revalidatiecurve. Geen triomfverhaal. Gewoon: iets beter dan vorig jaar, dankzij honderd keer blijven gaan.
Waarom ik bleef gaan, lag niet aan de sport zelf. Het was de gezelligheid in de kleedkamer. En het samen lachen. De mensen kenden me niet als de man die veel miste, maar zagen me gewoon als een medespeler.
Bewegen gaat zelden over prestaties. Het gaat er meer om of je er simpelweg bent. Met je lichaam bezig bent, met anderen plezier hebt.
Misschien heb jij ook iets wat je tegenhoudt. Een drempel die te hoog lijkt. Een lichaam dat niet meer doet wat het ooit deed. Overweeg nog eens die uitnodiging die je misschien al een paar keer naast je hebt neergelegd.
Neem van mij aan: je hoeft niet meteen alles te raken. Je mag beginnen met missen.